Wmo

Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingegaan. Meedoen is het doel van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Iedere burger moet zo lang mogelijke kunnen meedoen aan de samenleving.

De Wmo zoekt nadrukkelijk aansluiting bij het zelforganiserend vermogen van de samenleving. De Wmo is ook een brede participatiewet: iedereen moet meedoen en mee kúnnen doen. Sleutelbegrippen zijn participatie en het zelforganiserend vermogen van mensen.

Dit vergt een omslag in denken en doen. Van gemeenten, van professionals én van individuele burgers. En dat gaat niet vanzelf. Burgers zijn gewend geraakt aan de voorzieningen van de verzorgingsstaat, wat heeft bijgedragen aan een verdergaande individualisering.

Professionals en de maatschappelijke organisaties waarvoor zij werken, zijn ingesteld geraakt op gestandaardiseerde werkwijzen en trajecten waarin zij een leidende rol vervullen. Lokale overheden staan voor de taak om in een veranderend krachtenveld een visie te ontwikkelen.

De Wmo is nu drie jaar van kracht. In hoeverre is de genoemde omslag inmiddels gemaakt? Uit meerdere onderzoeken blijkt dat gemeenten meer regie nemen en Wmo-raden aan invloed winnen. Ondanks dat staan burgers en maatschappelijke organisaties nog vaak aan de zijlijn.

Hoe kunnen we er voor zorgen dat deze omslag werkelijk gestalte krijgt? Wat vraagt dit van gemeenten, professionals, belangenorganisaties, burgers en bedrijfsleven? Waar liggen de grenzen als het bijvoorbeeld gaat om het nemen van eigen verantwoordelijkheid van de burger?

Vragen waar we de komende tijd antwoord op willen hebben en mee een aan de slag gaan.