Uw privacy Contact | Nieuwsbrief

|
Clientenbelang op Facebook Clientenbelang op Twitter LinkedIn YouTube

2 juli 2019

Mantelzorg van generatie op generatie

Mantelzorg is van alle tijden. Wij weten niet beter of langdurige zorg voor een naaste heeft altijd bestaan. Vroeger beseften we niet wat dat betekende.  Wij wisten nauwelijks dat draaglast en draagkracht in evenwicht moeten zijn. In geval van nood nam  de oudste dochter in het gezin als vanzelfsprekend de taak van de moeder over. Dikwijls ten koste van eigen kansen in het leven.

 

Door Nancy Geijssen, lid van de Kerngroep van het Platformmantelzorg Amsterdam.

 

Nancy Geijssen kleiner.JPGIk ben Nancy, geboren in 1946. Mijn moeders moeder, mijn ‘echte ’grootmoeder, heb ik nooit gekend. Ze werd geboren in 1887. Veel weet ik niet van haar, maar wel dat ze in haar jeugd mantelzorger was. Zij zorgde lange tijd voor haar broer. Toen ze later met mijn opa trouwde, betrokken zij een huis in de Amsterdamse Pijp, waar vier kinderen geboren werden. Mijn moeder was de jongste. Mijn opa werd doof en had ook om andere redenen zorg nodig. Maar daar werd niet over gerept.

 

Het was een ‘normaal’ gezin. Dat betekende: geen grote problemen. Zo dacht men in die tijd. Maar mijn grootmoeder was wéér mantelzorger. Ze moest ook werken. Er moest geld binnenkomen om het gezin te onderhouden. Toen mijn moeder 12 jaar was, werd haar moeder ziek en overleed. Haar broer en zussen waren inmiddels het huis uit. Zij bleef met haar ziekelijke vader alleen over. Ze werd van school gehaald  om voor haar vader te zorgen. Zo ging dat toen.

 

Op 12-jarige leeftijd werd zij mantelzorger. Ze was trots als ze met een portemonnee over de Albert Cuyp markt liep. Ze voelde zich ‘groot’. Enige tijd later verhuisde zij met haar vader naar de Staatsliedenbuurt. Er was een inkomen vanuit de ‘steun’. Toen mijn moeder 14 jaar werd,  moest ze werken.  Zij vond een prettige baan in een winkel. Zij werkte graag. In haar middagpauze fietste ze heen en weer naar huis om pap voor haar vader te koken. 

 

Opa kreeg een tweede vrouw, mijn oma. Mijn moeder woonde inmiddels met mijn vader aan de overkant van de straat. Mijn oma zorgde goed voor haar man. Toch ging ook mijn moeders mantelzorg door. Ik werd geboren in 1946, vlak na de oorlog. Mijn vroegste kinderjaren waren heel plezierig. Wij waren regelmatig ‘aan de overkant’, bij mijn opa. Zijn doofheid was zijn grootste handicap, maar hij had ook vaak hoofdpijn, lag dan in bed. Mijn oma, natuurlijk ook mantelzorger, was geweldig.

 

Toch werd het regelmatig te veel. ‘Als er wat was’ stond er een krant voor het raam. Zo was de afspraak, een signaal dat betekende dat mijn moeder nodig was. En zij was regelmatig nodig. Ik vermoedde nog niet, hoe de mantelzorg ook bij mij een rode draad in mijn leven zou worden. Toen ik twaalf jaar werd, kreeg mijn moeder psychische problemen. Ze werd depressief. Ze kon behoorlijk van streek zijn. Ook ‘s nachts.

 

Ik ging dan mijn bed uit en wist haar weer tot rust te brengen. Ik was er wel een beetje trots op dat dit mij lukte, maar ik dacht er verder niet over na. Als mijn moeder weer in evenwicht was, dan was ze weer echt mijn moeder en ging alles weer goed. Mijn vader werkte hard, wij lieten hem slapen, maar hij wist het wel. Ik vond het heerlijk om op school te zijn. Daar kon ik kind zijn.  Daarom vertelde ik niets  van mijn zorg thuis.

 

Ik wilde niet uit mijn onbezorgdheid gehaald worden met de vraag: ‘Hoe gaat het met je moeder?’ Dan kon ik op school óók niet meer jong zijn. Overigens ben ik nu heel blij dat scholen wél aandacht hebben voor jonge mantelzorgers. Ik besef nu dat ik een geparentificeerd* kind was, net als mijn moeder en grootmoeder. Dat betekent dat ik al vroeg de rol van een ouder op mij moest nemen. Bovendien was ik een KOPP kind, want één van mijn ouders had psychische problemen.

 

Het leven ging door. De mantelzorg ging ook door. Ik had een eigen leven, want ik bewaakte mijn grenzen en vrijheid. Kinderen wilde ik niet. ‘De moederkoek is op’ zei ik. Door medicatie ging het beter met mijn moeder. Maar ze raakte verslaafd aan alcohol. Gelukkig had ze een vrolijke dronk, dus dat viel dan weer mee. Zij kreeg ook steeds meer fysieke problemen. Later kreeg mijn vader ook een slechtere gezondheid.

 

Ik ging voor beide ouders zorgen. Dat werd pittig. Ik draafde heen en weer tussen onze huizen. Gelukkig liet mijn moeder zich voor haar drankverslaving opnemen in de Jellinek kliniek. Zij stopte daadwerkelijk met drinken en bleef ‘droog’.

Nadat mijn vader overleed had ik de mogelijkheid om bij mijn moeder te gaan wonen. Ik kreeg medehuurderschap vanwege de mantelzorg. We hebben een prachtige tijd gehad. Veel gelachen.

 

Met de hulp van de thuiszorg kon ik de zorg goed aan. Na een ziekenhuisopname  kwam zij helaas dement thuis. Dat was de moeilijkste periode in de mantelzorg. Zij overleed toen ik zelf voor een operatie was opgenomen. Ik, ooit een geparentificeerd KOPP kind, ben de laatste van 3 generaties mantelzorg, dat is niet niks. Nu is deze term ingeburgerd en er is respect voor mantelzorgers gekomen. Gelukkig is er steun vanuit de gemeente en zijn er diverse mogelijkheden  voor mantelzorgondersteuning.

 

Dat is ook nodig, heel hard nodig. Want zoals het 2 en 3 generaties geleden was, dat willen we toch niet meer?
 

 

Terug naar het nieuwsoverzicht »

Gesprek laden